Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jeremia 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Loop de straten van Jeruzalem eens af, kijk goed om je heen en let op, doorzoek haar pleinen: als je ook maar één mens kunt vinden die rechtvaardig handelt en oprechtheid nastreeft, dan zal ik de stad genade schenken. En ook al verklaren ze bij het leven van de HEER te zweren, toch is hun eed vals. HEER, is uw oog niet gericht op trouw? U hebt hen getroffen, maar ze bleven ongevoelig; u hebt hen verteerd, maar ze wilden geen vermaning aannemen. Ze zetten een gezicht harder dan steen en weigerden tot inkeer te komen. Ik dacht bij mezelf: “Dit zijn slechts de kleine mensen, ze gedragen zich dwaas omdat ze de weg van de HEER en het recht van hun God niet kennen. Laat ik dan naar de vooraanstaanden gaan om met hen te praten, want zíj kennen de weg van de HEER en het recht van hun God.” Maar juist zij hadden samen het juk afgeworpen en de banden losgerukt. Daarom velt een leeuw uit het bos hen neer, overrompelt een wolf uit de vlakte hen en loert een panter bij hun steden op wie naar buiten komt om hem te verscheuren; want hun overtredingen zijn talrijk en hun afvalligheid is niet te tellen.

Op welke grond zou ik jou vergeving schenken? Je zonen en dochters lieten mij in de steek en legden eden af bij wat helemaal geen goden zijn. Ik gaf hun volop te eten, maar zij bedreven overspel en verdrongen zich bij het huis van de ontucht. Ze lijken op weldoorvoede, hitsige hengsten: ieder van hen hinnikt naar de vrouw van een ander. Zou ik dat ongestraft laten? luidt de uitspraak van de HEER. Zou ik mij niet wreken op een volk als dit?

Trek de wijnterrassen op en richt er verwoesting aan, maar vernietig het niet helemaal; hak haar ranken weg, want ze horen niet bij de HEER. Israël en Juda, beide volken, hebben zich volkomen trouweloos tegenover mij gedragen, luidt de uitspraak van de HEER. Ze hebben de HEER verloochend en beweerd: “Hij bestaat niet! Ons zal geen kwaad overkomen, oorlog noch hongersnood zullen we meemaken.” De profeten zijn niet meer dan wind en het woord huist niet in hen; laat het hun dan zelf maar zo vergaan.

Daarom spreekt de HEER, de God van de hemelse legermachten, als volgt: omdat jullie zulke dingen zeggen, zal ik mijn woorden in je mond tot vuur maken en dit volk tot brandhout, en dat vuur zal hen verteren. Let op, van verre laat ik een volk op jullie afkomen, huis van Israël, luidt de uitspraak van de HEER, een onverwoestbaar volk dat er al sinds oeroude tijden is, een volk waarvan je de taal niet kent en van wie je niet begrijpt wat het zegt. Hun pijlkoker gaapt als een open graf en zij zijn allemaal geoefende krijgers. Het vreet je oogst en je voedsel op, verzwelgt je zonen en dochters, verorbert je schapen en runderen en kaalt je wijnstok en vijgenboom af; en je vestingsteden waarop je bouwt, haalt het met het zwaard onderuit. Maar zelfs in die tijd, luidt de uitspraak van de HEER, zal ik jullie niet compleet uitroeien. En wanneer jullie zullen vragen waarom de HEER, onze God, ons dit allemaal heeft aangedaan, dan moet je hun antwoorden: zoals jullie mij hebben verlaten en in je eigen land vreemde goden hebben gediend, zo zullen jullie in een land dat je niet toebehoort vreemde meesters moeten dienen.

Maak dit bekend in het huis van Jakob en verkondig het in Juda: luister toch, dwaas volk zonder verstand, dat wel ogen heeft maar niet ziet en wel oren heeft maar niet hoort. Zouden jullie voor mij geen ontzag hebben? luidt de uitspraak van de HEER. Zouden jullie niet voor mij sidderen? Ik ben het die het zand als grens voor de zee heb neergelegd, een blijvende grens die zij niet overschrijdt; hoe haar golven ook opbruisen, ze halen niets uit, hoe ze ook razen, ze komen er niet overheen. Maar dit volk heeft een koppig en opstandig hart; ze zijn afgedwaald en hun eigen weg gegaan. Ze houden zichzelf niet voor: “Laten we toch ontzag hebben voor de HEER, onze God, die ons de regen schenkt, de vroege en de late regen op zijn vaste tijd, en die de vastgestelde oogstweken voor ons in stand houdt.” Jullie eigen wandaden hebben dit alles in de war geschopt en jullie zonden hebben je het goede onthouden.

Want onder mijn volk bevinden zich boosdoeners; ineengedoken loeren ze als vogelvangers, ze zetten een klem en vangen er mensen mee. Net als een kooi boordevol vogels zitten hun huizen vol bedrog; zo zijn ze machtig en vermogend geworden, vetgemest en doorvoed. Ze overschrijden zelfs in slechte daden elke grens: ze komen niet op voor de rechtszaak van de wees, en toch gaat het hun voor de wind, en het recht van de armen laten ze links liggen. Zou ik dat ongestraft laten? luidt de uitspraak van de HEER. Zou ik mij niet wreken op een volk als dit? Iets ontstellends en weerzinwekkends voltrekt zich in het land: de profeten verkondigen leugens, de priesters heersen naar eigen goeddunken, en mijn volk vindt het prachtig zo. Maar wat gaan jullie doen wanneer het einde daarvan aanbreekt?

← Jeremia 4Jeremia 6 →