Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jeremia 15

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De HEER zei tegen mij: zelfs al zouden Mozes en Samuël zich voor mij opstellen, dan nog zou ik mij niet naar dit volk toekeren. Jaag hen weg uit mijn bijzijn en laat ze vertrekken. En mochten ze je vragen waar ze naartoe moeten, antwoord hun dan: dit zegt de HEER: wie de dood beschoren is gaat de dood tegemoet, wie het zwaard toekomt valt door het zwaard, wie de hongersnood wacht bezwijkt van gebrek, en wie voor gevangenschap bestemd is belandt in ballingschap. Vier soorten onheil zet ik tegen hen in, luidt de uitspraak van de HEER: een dodend zwaard, wegslepende honden, en gevogelte en wild gedierte dat hen opvreet en te gronde richt. Ik zal hen tot een afschrikwekkend voorbeeld maken voor alle koninkrijken op aarde, om alles wat koning Manasse van Juda, de zoon van Hizkia, in Jeruzalem heeft aangericht.

Wie zal er nog met je te doen hebben, Jeruzalem, wie zal er om je rouwen, wie zal een omweg nemen om te informeren hoe het met je gaat? Jij bent het die mij hebt verlaten, luidt de uitspraak van de HEER, je blijft mij de rug toekeren. Daarom hef ik mijn hand tegen je op en breng ik je ten val; ik ben het beu je nog langer te sparen. Ik heb hen met de wan uitgezift in de stadspoorten van het land; ik heb mijn volk van kinderen beroofd en te gronde gericht, maar toch zijn ze niet van hun dwaalwegen teruggekomen. Hun weduwen zijn talrijker geworden dan de zandkorrels aan zee. Op klaarlichte dag heb ik over de moeders van de jongemannen een verwoester gebracht en plotseling angst en paniek over hen laten neerdalen. De vrouw die zeven kinderen baarde is weggekwijnd en heeft haar laatste adem uitgeblazen; haar zon ging al onder terwijl het nog dag was, en ze bleef beschaamd en vernederd achter. Wie van hen dan nog rest, geef ik prijs aan het zwaard van hun vijanden, luidt de uitspraak van de HEER.

Wee mij, moeder, dat u mij ter wereld hebt gebracht, iemand met wie het hele land ruziet en twist. Ik heb niets uitgeleend en ik heb van niemand geleend, en toch spreekt iedereen een vloek over mij uit. De HEER zei: heus, ik heb je ten goede vrijgelaten, heus, in de tijd van rampspoed en benauwdheid heb ik je vijand ertoe gebracht bij je te smeken. Valt ijzer eigenlijk wel te breken, ijzer uit het noorden, en koper? Je bezittingen en schatten geef ik zonder vergoeding als buit prijs, vanwege alle zonden die je overal in je gebied hebt begaan. Ik laat je in dienst treden bij je vijanden in een land dat je niet kent, want mijn toorn is ontbrand als een vuur dat tegen jullie zal woeden.

U weet het, HEER. Houd mij in gedachten, kom voor mij op en neem voor mij wraak op mijn vervolgers. Ruk mij niet weg terwijl u zo geduldig blijft; besef dat ik omwille van u word beschimpt. Zodra uw woorden zich aandienden, verslond ik ze, en uw woord bezorgde mij vreugde en verkwikte mijn hart; ik draag immers uw naam, HEER, God van de hemelse legermachten. Ik heb niet meegedaan in de kring van feestvierders en heb niet uitgelaten gejuicht; door uw hand gedreven zat ik in mijn eentje, want u had mij met verontwaardiging vervuld. Waarom houdt mijn pijn dan maar niet op en weigert mijn wond te helen, ongeneeslijk als ze is? Bent u voor mij soms een onbetrouwbare beek geworden, water waar geen staat op te maken valt?

Daarom zegt de HEER dit: als jij terugkeert, laat ik je terugkomen en mag je opnieuw voor mij verschijnen; en als je het waardevolle in plaats van het waardeloze naar voren brengt, zul je als mijn spreekbuis dienen. Laat hén zich naar jou keren, maar keer jij je niet naar hen. Ik maak je voor dit volk tot een onneembare koperen muur; ze zullen de strijd met je aanbinden, maar je niet klein krijgen, want ik sta aan je zijde om je te redden en te bevrijden, luidt de uitspraak van de HEER. Ik zal je losmaken uit de greep van de kwaadwilligen en je verlossen uit de vuist van de gewelddadigen.

← Jeremia 14Jeremia 16 →