Hoofdstuk
Jeremia 12
U staat in uw recht, HEER, ook wanneer ik een pleidooi tegen u zou voeren; toch wil ik u een rechtsvraag voorleggen: waarom loopt het de goddelozen voor de wind en leven alle verraders zo onbekommerd? U hebt hen geplant en ze hebben wortel geschoten; ze groeien op en zetten vrucht. U ligt hun voortdurend op de lippen, maar u bent ver van hun binnenste verwijderd. Maar mij kent u wél, HEER, u ziet mij en peilt mijn hart, dat aan u verknocht is. Sleep hen weg als schapen die naar de slachtbank gaan en zonder hen af voor de dag van het doden. Hoe lang moet het land nog treuren en het gewas op elke akker verdorren? Door de slechtheid van zijn inwoners zijn dier en vogel weggevaagd, want ze zeggen dat hij ons einde toch niet ziet.
Als je al buiten adem raakt van het rennen met voetgangers, hoe wil je het dan tegen paarden opnemen? En als je je alleen veilig voelt in een rustig land, hoe moet dat dan gaan in het dichte struikgewas langs de Jordaan? Want zelfs je eigen broers en je familie hebben je verraden; ook zij schreeuwen je luidkeels na. Vertrouw hen niet, al klinken hun woorden nog zo vriendelijk.
Ik heb mijn huis achtergelaten en mijn erfdeel opgegeven; wat mij zo dierbaar was heb ik aan haar vijanden uitgeleverd. Mijn erfdeel is voor mij als een leeuw in het bos geworden; ze heeft tegen mij gebruld, en daarom ben ik haar gaan haten. Is mijn erfdeel voor mij soms een bontgekleurde roofvogel waar de andere roofvogels zich rondom op storten? Vooruit, roep alle wilde dieren bijeen en breng ze om het op te vreten. Talrijke herders hebben mijn wijngaard vernield en mijn akker platgetrapt; het stuk grond dat mij zo lief was hebben ze in een troosteloze wildernis veranderd. Men heeft haar herschapen tot een woestenij, en verwoest ligt ze te treuren voor mijn ogen. Het hele land is verwoest, en niemand die zich er iets van aantrekt. Over alle kale hoogten in de woestijn zijn de plunderaars gekomen, want het zwaard van de HEER richt een slachting aan van het ene uiteinde van het land tot het andere; geen sterveling blijft van vrede verzekerd. Tarwe hebben ze gezaaid, maar distels geoogst; ze hebben zich uitgeput zonder enige opbrengst. Wees dan beschaamd over je oogst, vanwege de laaiende woede van de HEER.
Dit zegt de HEER over al mijn kwaadaardige buurvolken die hun hand slaan aan het erfbezit dat ik aan mijn volk Israël heb toegewezen: let op, ik ruk hen los van hun grond, en ook het huis van Juda zal ik uit hun midden lostrekken. Maar wanneer ik hen eenmaal heb losgerukt, zal ik opnieuw medelijden met hen krijgen en elk van hen laten terugkeren, naar zijn eigen erfdeel en zijn eigen land. En als zij zich werkelijk de leefregels van mijn volk eigen maken en bij mijn naam gaan zweren met de woorden “zo waar de HEER leeft”, precies zoals zij mijn volk hebben geleerd bij de Baäl te zweren, dan zullen zij een plaats te midden van mijn volk krijgen en worden opgebouwd. Maar als zij niet willen luisteren, dan zal ik dat volk volledig ontwortelen en vernietigen, luidt de uitspraak van de HEER.