Hoofdstuk
Jeremia 10
Luister naar het woord dat de HEER tot jullie richt, huis van Israël. Dit zegt de HEER: neem de leefwijze van de volken niet over en raak niet in paniek van de tekenen aan de hemel, ook al slaan de volken daarvan in angst. Want wat de volken vereren stelt niets voor: het is enkel een stuk hout dat in het bos is omgehakt en door een vakman met de bijl is bijgewerkt. Ze versieren het met zilver en goud en zetten het met spijkers en hamers vast, zodat het niet omvalt. Zulke beelden staan er als een vogelverschrikker in een komkommerveld: praten kunnen ze niet en dragen moet men ze, want zelf lopen lukt niet. Wees niet bang voor hen, want ze kunnen geen kwaad aanrichten en evenmin iets goeds doen.
Niemand kan zich met u meten, HEER! U bent groots en machtig, en uw naam straalt van kracht. Wie zou geen ontzag voor u hebben, koning van de volken? U hebt daar recht op, want onder alle wijzen van de volken en in al hun koninkrijken is er niemand die aan u gelijk is. Zonder uitzondering zijn ze even redeloos als dwaas: van een blok hout valt niets te leren dan louter leegte. Uitgehamerd zilver wordt aangevoerd uit Tarsis en goud uit Ufaz, gemaakt door de vakman en de handen van de goudsmid; blauwpurper en roodpurper vormen hun kleding, allemaal het werk van bekwame ambachtslieden. Maar de HEER is de werkelijke God; hij is de levende God en de eeuwig regerende koning. Voor zijn woede beeft de aarde en de volken kunnen zijn razernij niet doorstaan.
Tegen hen moeten jullie dit zeggen: de goden die hemel en aarde niet hebben voortgebracht, zullen van deze aarde en van onder dit hemelgewelf verdwijnen. Hij is het die met zijn kracht de aarde heeft gemaakt, die met zijn wijsheid de wereld heeft gegrondvest en met zijn inzicht de hemel heeft uitgespannen. Zodra hij zijn stem verheft ruist er water aan de hemel; hij laat wolken opkomen vanaf de uiteinden van de aarde, brengt bliksem voort bij de regen en haalt de wind uit zijn opslagplaatsen tevoorschijn. Ieder mens staat er dom en zonder kennis bij, elke goudsmid staat te schande door zijn beeld; want wat hij goot is bedrog, er zit geen adem in. Waardeloos zijn ze, bespottelijk maakwerk; wanneer het uur van hun afrekening slaat, gaan ze te gronde. Maar het erfdeel van Jakob is heel anders dan zij, want hij is de vormgever van alles, en Israël is de stam die hem toebehoort; zijn naam is de HEER van de hemelse legermachten.
Raap je bundel bij elkaar en til hem van de grond, jij die in de belegerde stad opgesloten zit. Want dit zegt de HEER: kijk, dit keer katapulteer ik de inwoners van het land weg, en ik breng hen zo in het nauw dat ze het aan den lijve ondervinden. Wee mij om mijn verwonding, mijn kwetsuur is niet te helen! Toch zei ik bij mezelf: “Dit is nu eenmaal mijn lot, ik zal het dragen.” Mijn tent is aan flarden en al mijn tentkoorden zijn losgescheurd. Mijn kinderen zijn van me weggegaan en zijn er niet meer; er is niemand die mijn tent nog opzet of mijn tentkleden ophangt. De herders gedroegen zich immers dwaas en zochten de HEER niet; daardoor ontbrak het hun aan inzicht en is heel hun kudde uiteengejaagd. Hoor, er komt een bericht aan: een geweldig gedreun uit het noordelijke land, dat de steden van Juda gaat veranderen in een woestenij, een verblijfplaats voor jakhalzen.
Ik besef, HEER, dat een mens zijn eigen levensweg niet in de hand heeft en dat het niet aan de wandelaar is om zijn eigen stappen uit te zetten. Corrigeer mij, HEER, maar houd daarbij maat en doe het niet in uw woede, anders maakt u mij tot niets. Keer uw razernij tegen de volken die u niet erkennen en tegen de families die uw naam nooit aanroepen. Want zij hebben Jakob verslonden, ja opgeslokt en verteerd, en zijn woonplaats tot een puinhoop gemaakt.