Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jakobus 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Van Jakobus, die een slaaf is van God en van de Heer Jezus de Gezalfde. Aan Israëls twaalf stammen die in de verstrooiing wonen: gegroet.

Reken het jezelf tot louter blijdschap, mijn broeders en zusters, telkens wanneer je in beproevingen van allerlei aard verzeild raakt. Jullie beseffen immers dat het beproeven van je geloof volharding kweekt. Laat die volharding haar werk helemaal voltooien, zodat je volgroeid en ongeschonden bent en het je aan niets ontbreekt.

Komt iemand van jullie wijsheid tekort, dan moet hij daarom bij God aankloppen, die aan iedereen mild en zonder verwijten uitdeelt; hem zal ze gegeven worden. Maar hij moet erom vragen in vertrouwen, zonder enige aarzeling. Wie namelijk aarzelt, lijkt op een golf op zee die door de wind wordt opgejaagd en heen en weer geslingerd. Zo iemand moet niet menen dat de Heer hem iets zal geven. Hij is immers innerlijk verdeeld, wisselvallig in alles wat hij onderneemt.

Laat de broeder in nederige omstandigheden zich juist beroemen op zijn verhevenheid, en de rijke op zijn geringheid, want als een veldbloem zal hij vergaan. Nauwelijks komt de zon op met haar schroeiende hitte of het gras verdort, de bloem valt af en heel haar pracht is voorbij; net zo zal de rijke te midden van zijn drukke bezigheden wegkwijnen.

Gelukkig is de mens die een beproeving doorstaat, want wanneer hij de proef heeft doorstaan, ontvangt hij de krans van het leven, die God heeft toegezegd aan wie hem liefhebben. Laat niemand die verleid wordt beweren: “Deze verleiding komt van God.” God kan namelijk niet door het kwaad verleid worden, en zelf brengt hij niemand in verleiding. Ieder wordt verleid doordat zijn eigen begeerte hem meetrekt en verlokt. Vervolgens brengt die begeerte, zodra ze zwanger is, de zonde voort, en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood.

Laat je niet op een dwaalspoor brengen, mijn geliefde broeders en zusters. Al het goede dat ons geschonken wordt en elke volmaakte gave daalt van boven neer, van de Vader van de hemellichten, bij wie geen verandering optreedt en geen spoor van wisseling. Uit eigen wil heeft hij ons door het woord van de waarheid het leven gegeven, om ons een soort eersteling te maken onder alles wat hij geschapen heeft.

Weet dit, mijn geliefde broeders en zusters: laat elk mens vlot zijn in het luisteren, terughoudend in het spreken en niet snel tot woede geneigd, want met menselijke woede brengt niemand tot stand wat rechtvaardig is voor God. Doe daarom alle vuiligheid en de wildgroei van kwaad van je af, en neem met een zachtmoedig hart het woord aan dat in jullie geplant is en dat jullie leven kan redden. Wees mensen die het woord in praktijk brengen en niet alleen toehoorders die zichzelf iets wijsmaken. Want wie het woord wel hoort maar niet doet, is te vergelijken met iemand die zijn eigen gezicht in een spiegel bekijkt: hij neemt zichzelf op, loopt weg en is meteen kwijt hoe hij eruitzag. Wie zich daarentegen buigt over de volmaakte wet, de wet die vrijheid brengt, en daaraan vasthoudt, wie niet vergeetachtig toehoort maar het metterdaad uitvoert, die zal gelukkig zijn in alles wat hij doet.

Wie meent godsdienstig te zijn maar zijn tong niet beteugelt en zo zichzelf om de tuin leidt, diens godsdienst stelt niets voor. Godsdienst die zuiver en onbevlekt is in de ogen van God de Vader, houdt dit in: omzien naar wezen en weduwen in hun ellende, en jezelf onbesmet bewaren van de wereld.

← beginJakobus 2 →