Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Hooglied 8

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Zij: Was je maar een broer van me geweest, gevoed aan de borst van mijn moeder! Dan kon ik je buiten tegenkomen en zoenen, zonder dat iemand daar geringschattend op neerkeek.

Ik zou je meenemen en binnenleiden in het huis van mijn moeder, die mij onderwees;
ik zou je van gekruide wijn laten drinken, van het sap van mijn granaatappels.

Zijn linkerarm rust onder mijn hoofd terwijl zijn rechterarm mij omvat.

Ik roep jullie plechtig op, meisjes van Jeruzalem: waarom zouden jullie de liefde wakker schudden, waarom haar opporren voordat zij er zelf klaar voor is?

De meisjes van Jeruzalem: Wie komt daar toch de woestijn uit omhoog, terwijl zij tegen haar geliefde aan leunt? Zij: Onder de appelboom maakte ik je wakker;
op die plek kreeg je moeder weeën om jou, daar bracht zij je met pijn ter wereld.

Draag mij als een zegel dicht bij je hart en als een zegelband om je arm;
want de liefde is even sterk als de dood en de hartstocht even onverzettelijk als het dodenrijk. Haar gloed is een vurige gloed, een vlam van de Heer zelf.

Geen watermassa’s zijn in staat de liefde te doven, en geen rivieren spoelen haar weg. Al zou iemand heel het vermogen van zijn huis voor de liefde bieden, men zou hem daar enkel met minachting om overladen.

Haar broers: Wij hebben een klein zusje dat nog geen borsten heeft. Wat moeten wij met ons zusje doen op de dag dat er iemand om haar komt vragen?

Is zij een muur, dan zetten wij er zilveren kantelen bovenop;
is zij een deur, dan grendelen wij haar af met cederhouten planken.

Zij: Een muur ben ik, en mijn borsten steken op als torens;
daardoor ben ik in zijn ogen iemand geworden die vrede brengt.

Hij: Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon en gaf die in beheer aan pachters;
ieder van hen moest voor de opbrengst duizend zilverstukken afdragen.

Mijn eigen wijngaard heb ik zelf voor het uitkiezen: de duizend zilverstukken komen u toe, Salomo, en nog eens tweehonderd aan wie op zijn vruchten passen.

Hij: Jij die in de tuinen verblijft, de vrienden hangen aan je lippen;
laat ook mij je stem eens horen!

Zij: Maak dat je wegkomt, mijn geliefde, en wees als een gazelle of een jong hert op de bergen vol balsemkruid.

← Hooglied 7einde →