Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Hooglied 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Het allermooiste van alle liederen, van Salomo.

Zij: Als hij mij toch kuste, keer op keer met de kussen van zijn mond! Want jouw liefkozingen zijn kostelijker dan wijn.

Verrukkelijk geuren je zalfoliën, en je naam zelf is als uitgegoten balsem;
geen wonder dat de meisjes van je houden.

Neem mij mee, laten wij samen wegsnellen! De koning heeft mij in zijn vertrekken binnengeleid. Laten wij vol vreugde over jou jubelen en je liefde bezingen, kostbaarder dan wijn;
met recht dragen zij jou een warm hart toe.

Donker ben ik, en toch bekoorlijk, meisjes van Jeruzalem, donker als de tenten van Kedar en fraai als de tentkleden van Salomo.

Kijk niet op mij neer omdat ik zo bruin ben, want de zon heeft mij gebrand. Mijn eigen broers ontstaken in woede tegen mij en zetten mij als bewaakster over de wijngaarden, terwijl ik mijn eigen wijngaard onverzorgd liet.

Zeg mij toch, jij naar wie heel mijn hart uitgaat, waar je je kudde weidt en waar je haar in de middaghitte laat rusten;
waarom zou ik anders als een gesluierde ronddwalen bij de kudden van je metgezellen?

Hij: Als je dat niet weet, mooiste van alle vrouwen, ga dan gewoon op de sporen van de kudde af en laat je geiten grazen bij de hutten van de herders.

Met een merrie voor de strijdwagens van de farao vergelijk ik jou, mijn allerliefste.

Betoverend staan je wangen tussen de sieraden en je hals tussen de kralensnoeren.

De meisjes van Jeruzalem: Gouden hangers zullen wij voor je smeden, bezet met zilveren stipjes.

Zij: Zolang de koning aan zijn dis lag, verspreidde mijn nardusparfum zijn geur.

Mijn geliefde is voor mij als een zakje mirre dat de nacht tussen mijn borsten doorbrengt.

Mijn geliefde is voor mij als een tros hennabloesems uit de wijngaarden van En-Gedi.

Hij: Wat ben je toch mooi, mijn allerliefste, wat ben je mooi! Je ogen zijn als duiven.

Zij: En wat ben jij mooi, mijn geliefde, wat een verrukking! Ons bed is een en al groen loof;

de balken boven ons zijn van cederhout en onze zoldering van cipressen.

← beginHooglied 2 →