Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Hebreeën 13

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Houd de onderlinge liefde als broeders en zusters levend. Laat de gastvrijheid niet verslappen, want daarmee hebben sommigen, zonder het door te hebben, engelen onderdak geboden. Leef mee met de gevangenen alsof je samen met hen geboeid bent, en met wie onder mishandeling lijden, aangezien ook jullie een lichaam hebben. Laat iedereen het huwelijk hooghouden en het echtelijk bed rein bewaren, want wie zich aan ontucht of overspel overgeven zal God ter verantwoording roepen. Laat je manier van leven vrij zijn van geldzucht en stel je tevreden met wat er is; hij heeft immers zelf gezegd: “Ik zal je nooit laten vallen en je nooit in de steek laten.” Daarom mogen wij met opgeheven hoofd zeggen: “De Heer staat mij bij, ik hoef niet bang te zijn. Wat zou een mens mij kunnen aandoen?”

Blijf denken aan hen die jullie voorgaan en die jullie het woord van God hebben doorgegeven; sla acht op hoe hun levensweg is afgelopen en neem een voorbeeld aan hun geloof. Jezus de Gezalfde is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in alle eeuwigheid. Laat je niet meesleuren door allerlei vreemde leringen. Het is goed dat het hart zijn vastheid ontvangt uit de genade, en niet uit voorschriften over voedsel, waar wie zich eraan hielden nooit baat bij vonden. Wij bezitten een altaar waarvan zij die de tent bedienen niets mogen eten. Van de dieren immers waarvan de hogepriester het bloed als zondeoffer het heiligdom binnendraagt, worden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. Zo heeft ook Jezus buiten de stadspoort het lijden ondergaan, om met zijn eigen bloed het volk te heiligen. Laten wij dus naar hem toe trekken, tot buiten de legerplaats, en de smaad op ons nemen die op hem viel. Wij hebben hier immers geen stad die blijft; wij zijn juist op zoek naar de stad die nog komt. Laten wij dan zonder ophouden, door hem, een lofoffer aan God opdragen, dat wil zeggen: de vrucht van lippen die zijn naam belijden. En laat het weldoen en het delen met anderen niet na, want juist dat zijn de offers waarin God behagen schept.

Volg hen die jullie voorgaan en schik je naar hen, want zij houden de wacht over jullie leven en zullen daarover rekenschap moeten geven. Zorg dat zij dat met blijdschap kunnen doen en niet zuchtend, want daar zouden jullie zelf niets bij winnen. Bid voor ons. Wij zijn er namelijk van overtuigd dat ons geweten zuiver is, omdat wij in alle opzichten oprecht willen leven. Nog dringender vraag ik jullie dit te doen, zodat ik des te eerder aan jullie word teruggegeven. Moge de God die vrede geeft, die de grote schaapsherder uit de dood heeft teruggebracht door het bloed van een eeuwig verbond, onze Heer Jezus, jullie in alle goeds toerusten om zijn wil te doen, en in ons bewerken wat hem aangenaam is, door Jezus de Gezalfde, aan wie de glorie toekomt tot in alle eeuwigheid. Amen.

Ik doe een beroep op jullie, broeders en zusters: neem deze woorden van bemoediging ter harte, temeer daar ik jullie maar kort heb geschreven. Weet dat onze broeder Timoteüs is vrijgelaten; komt hij spoedig, dan zal ik samen met hem naar jullie toe reizen. Doe de groeten aan allen die jullie voorgaan en aan alle heiligen. De broeders en zusters uit Italië laten jullie groeten. De genade zij met jullie allen.

← Hebreeën 12einde →