Hoofdstuk
Galaten 4
Ik bedoel dit: zolang een erfgenaam nog onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij eigenaar van alles. Hij valt onder de zeggenschap van voogden en zaakwaarnemers, tot de datum die zijn vader vooraf heeft vastgesteld. Zo waren ook wij, toen wij nog onmondig waren, als slaven onderworpen aan de grondkrachten van de wereld. Maar toen de tijd rijp was, liet God zijn Zoon komen, uit een vrouw geboren en onderworpen aan de wet, om wie aan de wet onderworpen waren los te kopen, zodat wij de positie van kinderen zouden verkrijgen. En als bewijs dat jullie kinderen zijn, heeft God de Geest van zijn Zoon in ons hart uitgestort, die uitroept: “Abba, Vader!” Je bent dus geen slaaf meer, maar kind; en ben je kind, dan ben je door God ook erfgenaam.
Vroeger, toen jullie God niet kenden, waren jullie slaaf van wezens die in werkelijkheid geen goden zijn. Maar nu jullie God hebben leren kennen, of beter gezegd: nu God jullie kent, hoe is het dan mogelijk dat jullie je weer wenden tot die zwakke en armzalige grondkrachten en er opnieuw dienstbaar aan willen zijn? Jullie letten nauwlettend op vaste dagen en maanden, op seizoenen en jaren. Ik vrees dat ik me voor niets voor jullie heb afgetobd.
Ik vraag jullie dringend, broeders en zusters: word zoals ik, want ook ik ben zoals jullie geworden. Jullie hebben mij in niets tekortgedaan. Jullie weten dat ik de eerste keer door een lichamelijke zwakte het evangelie bij jullie kwam brengen. En hoewel mijn lichaam een beproeving voor jullie was, hebben jullie mij niet met minachting of afkeer bejegend, maar mij onthaald als een engel van God, ja als de Gezalfde Jezus in eigen persoon. Waar is die gelukzalige stemming van toen gebleven? Ik kan van jullie getuigen dat jullie, was het mogelijk geweest, je ogen zouden hebben uitgerukt om ze mij te geven. Ben ik nu jullie vijand geworden omdat ik jullie de waarheid voorhoud? Die anderen zijn vol ijver voor jullie, maar niet met goede bedoelingen; ze willen jullie juist buitensluiten, met de bedoeling dat jullie hén najagen. Het is mooi om altijd voor iets goeds vurig te zijn, en niet alleen wanneer ik bij jullie ben, mijn kinderen, om wie ik opnieuw barensweeën doorsta totdat de Gezalfde in jullie gestalte krijgt. Ik zou nu graag bij jullie zijn en van toon veranderen, want ik weet met jullie geen raad.
Zeg me eens, jullie die onder de wet willen staan: horen jullie niet wat de wet zegt? De Schrift vermeldt immers dat Abraham twee zonen kreeg: de ene bij de slavin, de andere bij zijn vrije vrouw. De zoon van de slavin was naar het vlees verwekt, die van de vrije vrouw door de belofte. Er zit een allegorie in: deze vrouwen verbeelden twee verbonden. Het eerste, dat van de berg Sinaï, brengt kinderen ter wereld die bestemd zijn voor slavernij; dat is Hagar. Deze Hagar staat voor de berg Sinaï in Arabië en beantwoordt aan het huidige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij leeft. Het hemelse Jeruzalem daarentegen is vrij, en zij is onze moeder. Er staat immers geschreven: “Verheug je, onvruchtbare, jij die niet baart; breek uit in gejubel, jij die geen weeën kent; want de verlatene heeft meer kinderen dan zij die een man heeft.” En jullie, broeders en zusters, zijn kinderen van de belofte, precies als Isaak. Maar net als toen hij die naar het vlees geboren was, degene vervolgde die door de Geest was voortgebracht, zo gaat het ook vandaag. Maar hoe luidt het schriftwoord? “Verjaag de slavin met haar zoon, want de zoon van de slavin zal nooit samen met de zoon van de vrije vrouw erven.” Kortom, broeders en zusters, wij stammen niet af van de slavin, maar van de vrije vrouw.