Hoofdstuk
Galaten 1
Van Paulus, geroepen tot apostel, en dat niet vanwege mensen of door bemiddeling van een mens; nee, door Jezus de Gezalfde zelf en door God, de Vader die hem uit de dood opwekte, samen met alle broeders die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: genade en vrede voor jullie, van God onze Vader en van de Heer Jezus de Gezalfde, die zichzelf heeft gegeven voor onze zonden om ons te bevrijden uit deze tegenwoordige, kwade wereld, naar de wil van onze God en Vader, aan wie de glorie behoort tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Het verbaast me dat jullie je zo snel afwenden van hem die jullie riep door de genade van de Gezalfde, en overlopen naar een ander evangelie, terwijl er geen ander bestaat; er zijn alleen maar lieden die jullie in de war brengen en het evangelie van de Gezalfde willen verdraaien. Maar zelfs al zouden wij, of een engel uit de hemel, jullie een ander evangelie brengen dan wij verkondigd hebben, vervloekt is zo iemand. Wat wij al eerder zeiden, herhaal ik nu: verkondigt iemand jullie iets dat afwijkt van wat jullie ontvangen hebben, dan is die vervloekt. Zoek ik nu de gunst van mensen of van God? Of probeer ik mensen te behagen? Als ik nog mensen naar de mond zou praten, was ik geen slaaf van de Gezalfde.
Ik maak jullie duidelijk, broeders en zusters: het evangelie dat ik verkondigd heb, is niet van menselijke makelij. Want ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd gekregen, maar door een openbaring van Jezus de Gezalfde. Jullie hebben immers gehoord hoe ik me vroeger in het jodendom gedroeg: hoe ik Gods gemeente mateloos vervolgde en trachtte uit te roeien, en hoe ik in het jodendom veel leeftijdgenoten uit mijn volk vóór was, in mijn tomeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij al van de moederschoot af apart had gezet en in zijn genade had geroepen, ertoe besloot zijn Zoon in mij te onthullen, met de bedoeling dat ik hem onder de volken zou aankondigen, heb ik niet eerst met vlees en bloed overlegd. Ik ging ook niet naar Jeruzalem, naar hen die eerder apostel waren dan ik; in plaats daarvan vertrok ik naar Arabië, om vandaar opnieuw naar Damascus terug te keren. Drie jaar daarna reisde ik pas naar Jeruzalem om Kefas te leren kennen, en ik logeerde vijftien dagen bij hem. Maar van de overige apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer. Wat ik jullie hier schrijf, is waar; God is mijn getuige dat ik niet lieg. Vervolgens ging ik naar de streken van Syrië en Cilicië. Van gezicht was ik nog onbekend bij de gemeenten van Judea die in de Gezalfde zijn; ze kenden mij enkel bij geruchte: de man die ons ooit vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij vroeger wilde vernietigen. En zij brachten God eer om wat er met mij gebeurd was.