Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Ezechiël 7

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De HEER richtte zich tot mij met deze woorden: en jij, mensenkind, dit verklaart de soevereine HEER tegen het land van Israël: een einde! Het einde daalt neer over de vier uiteinden van het land. Nu breekt jouw einde aan; ik laat mijn toorn op je los, ik spreek recht over je naar je gedrag en laat al je gruweldaden op je neerkomen. Mijn oog kent geen ontzien en ik zal geen mededogen tonen; ik reken je je gedrag aan en je gruweldaden blijven midden in je bestaan. Dan zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben.

Dit verklaart de soevereine HEER: rampspoed! Eén enkele ramp, kijk, ze komt eraan! Het einde komt, het einde komt; het is tegen je ontwaakt, kijk, daar komt het! De ondergang overvalt je, inwoner van het land! De tijd is daar, de dag is nabij: paniek in plaats van vreugdegejuich op de bergen. Weldra stort ik mijn woede over je uit en koel ik mijn toorn aan je; ik spreek recht over je naar je gedrag en laat al je gruweldaden op je neerkomen. Mijn oog kent geen ontzien en ik zal geen mededogen tonen; ik reken je je gedrag aan en je gruweldaden blijven midden in je bestaan. Dan zullen jullie beseffen dat ik, de HEER, het ben die toeslaat.

Kijk, de dag! Kijk, hij komt eraan! De ondergang is losgebroken, de staf heeft gebloeid, de overmoed heeft uitgebot. Het geweld is uitgegroeid tot een scepter van onrecht; van hen blijft niets over, van hun drukte niets, van hun rumoer niets en van hun praal geen spoor. De tijd is aangebroken, de dag is er. Laat de koper zich niet verheugen en de verkoper niet treuren, want mijn laaiende woede treft heel de menigte. De verkoper zal niet terugkeren naar wat hij verkocht, ook al blijven beiden in leven; want het visioen over heel hun menigte wordt niet ingetrokken, en niemand houdt door zijn schuld zijn leven overeind.

Er is op de bazuin geblazen en alles staat gereed, maar niemand rukt uit ten strijde, want mijn laaiende woede hangt boven heel die menigte. Buiten waart het zwaard rond, binnen heersen pest en honger; wie zich in het veld bevindt komt om door het zwaard, en wie in de stad is wordt door honger en pest verzwolgen. En als er toch enkelen ontkomen, vluchten ze de bergen in; als duiven uit de dalen kirren ze allemaal, ieder om zijn eigen schuld. Alle handen worden slap en alle knieën zo week als water. Ze hullen zich in rouwkleding en een huivering overvalt hen; op ieder gezicht ligt schaamte en elk hoofd is kaalgeschoren.

Hun zilver gooien ze de straat op en hun goud geldt als iets onreins. Zilver noch goud kan hen redden op de dag van de woede van de HEER; hun honger stillen ze er niet mee en hun maag vullen ze er niet mee, want het werd het struikelblok van hun schuld. Van hun prachtige sieraden maakten ze een voorwerp van trots en daaruit vervaardigden ze hun walgelijke afgodsbeelden; daarom verander ik het voor hen in iets onreins. Ik geef het als buit prijs aan vreemden en als roofgoed aan de goddelozen van de aarde, die het zullen ontwijden. Ik keer mijn gezicht van hen af, zodat mijn kostbare bezit ontwijd wordt; rovers dringen er binnen en ontheiligen het.

Smeed de ketenen! Want het land is vol bloedig onrecht en de stad is vol geweld. Ik laat de gemeenste volken komen die hun huizen in bezit nemen; ik maak een einde aan de trots van de machtigen en hun heiligdommen worden ontwijd. De angst breekt aan; ze zoeken naar vrede, maar die is er niet. De ene ramp na de andere komt, het ene gerucht na het andere; ze zoeken een visioen bij de profeet, maar bij de priester valt de onderwijzing weg en bij de oudsten de raad. De koning treurt, de vorst is verlamd van ontzetting en de handen van de gewone burgers beven. Ik zal hen behandelen naar hun eigen gedrag en hen berechten naar hun eigen maatstaven. Dan zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.

← Ezechiël 6Ezechiël 8 →