Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Ezechiël 15

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De HEER richtte zich tot mij: Mensenkind, wat heeft het hout van een wijnstok voor op ander hout, die rank die tussen de bomen van het bos opschiet? Valt er hout uit te winnen om er iets van te vervaardigen? Snijdt iemand er een pin uit om er spullen aan te hangen? Kijk, het gaat als brandhout het vuur in; zijn beide uiteinden opgebrand en is het middenstuk aangekoold, waar zou het dan nog toe dienen? Kijk, toen het nog ongeschonden was, viel er al niets van te maken; des te minder nu het vuur het heeft verteerd en verkoold, wat zou men er dan nog uit kunnen vormen?

Daarom verklaart de soevereine HEER: net zoals ik het wijnstokhout tussen de woudbomen als brandstof aan het vuur heb prijsgegeven, zo lever ik de inwoners van Jeruzalem uit. Ik keer mij tegen hen: aan het ene vuur zijn ze ontsnapt, maar een volgend vuur zal hen verslinden; en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben zodra ik mij tegen hen keer. Ik maak van het land een wildernis, omdat zij trouweloos hebben gehandeld, luidt het woord van de soevereine HEER.

← Ezechiël 14Ezechiël 16 →