Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Efeziërs 4

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Als gevangene omwille van de Heer roep ik jullie dan op: leef zoals het hoort bij de roeping die jullie ontvangen hebben. Wees door en door nederig en zachtaardig, wees geduldig en verdraag elkaar in liefde. Doe je best om de eenheid die de Geest geeft te bewaren, bijeengehouden door de band van de vrede. Er is één lichaam en één Geest, net zoals jullie ook geroepen zijn tot de ene hoop die bij die roeping past. Er is één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen staat, door allen heen werkt en in allen aanwezig is.

Aan ieder van ons afzonderlijk is genade geschonken, toegemeten naar wat de Gezalfde uitdeelt. Daarom staat er: “Toen hij opsteeg naar de hoogte, voerde hij gevangenen met zich mee en gaf hij gaven aan de mensen.” Dat woord “hij steeg op”, wat betekent het anders dan dat hij eerst is afgedaald naar de diepste streken van de aarde? Hij die is afgedaald, is dezelfde die ook is opgestegen, tot hoog boven alle hemelen, om zo het heelal te vervullen. En hij is het die aanstelde: sommigen als apostel, anderen als profeet, weer anderen als evangelist, herder of leraar, om de heiligen toe te rusten voor hun dienstwerk en zo het lichaam van de Gezalfde op te bouwen, totdat wij allen de eenheid bereiken in het geloof en in het kennen van de Zoon van God. Zo groeien wij uit tot volwassenheid, tot de rijpheid die past bij de volheid van de Gezalfde. Dan zijn wij geen onmondige kinderen meer. We worden niet langer heen en weer geslingerd of meegevoerd op elke windvlaag van leer, met het valse spel van mensen en hun listige trucs die naar de dwaling voeren. Nee, laten wij ons houden aan de waarheid en zo, in liefde, naar hem toe groeien die het hoofd is: de Gezalfde. Vanuit hem wordt het hele lichaam samengevoegd en bijeengehouden door alle steunende verbindingen; als elk onderdeel naar vermogen zijn werk doet, groeit het lichaam en bouwt het zichzelf op in liefde.

Dit zeg ik dus met nadruk, in naam van de Heer: leef niet langer zoals de volken leven, met hun leeghoofdige denken. Hun verstand is verduisterd; ze staan buiten het leven met God door de onwetendheid die in hen heerst en door de verharding van hun hart. Afgestompt als ze zijn, hebben ze zich overgeleverd aan losbandigheid en storten ze zich vol hebzucht op elke vorm van onreinheid. Maar zo hebben jullie de Gezalfde niet leren kennen. Jullie hebben immers over hem gehoord en zijn in zijn school onderwezen, overeenkomstig de waarheid die in Jezus is: dat jullie je oude mens moeten afleggen, die bij je vroegere manier van leven hoort en die door bedrieglijke verlangens ten onder gaat, dat jullie van binnenuit vernieuwd moeten worden, naar geest en gedachten, en dat jullie de nieuwe mens moeten aantrekken, die naar Gods beeld geschapen is in echte rechtvaardigheid en heiligheid.

Leg daarom de leugen af en spreek de waarheid, ieder tegen zijn naaste, want wij zijn ledematen van elkaar. Word je boos, zondig dan niet; zorg dat de zon niet ondergaat terwijl je nog kwaad bent, en geef de duivel geen voet aan de grond. Wie steelt, moet daarmee stoppen; laat hij liever hard werken en met zijn eigen handen iets goeds tot stand brengen, zodat hij kan delen met wie tekortkomt. Laat geen rottend woord over je lippen komen, maar alleen wat opbouwt waar dat nodig is, zodat het de toehoorders goeddoet. En doe de heilige Geest van God geen verdriet aan; in hem zijn jullie verzegeld voor de dag van de bevrijding. Alle bitterheid, drift en woede, alle geschreeuw en gescheld moeten uit jullie midden verdwijnen, en met dat alles elke vorm van kwaadaardigheid. Wees goedhartig en meelevend tegenover elkaar en schenk elkaar vergeving, net zoals God jullie in de Gezalfde vergeven heeft.

← Efeziërs 3Efeziërs 5 →