Hoofdstuk
Deuteronomium 6
Dit gebod, met de bijbehorende wetten en bepalingen, gaf de HEER, jullie God, mij de opdracht jullie te leren, om het na te leven in het land waarheen jullie op weg zijn om het te bezitten, zodat jij heel je leven ontzag koestert voor de HEER, je God, en al zijn wetten en geboden onderhoudt die ik je opleg, jij, je kind en je kleinkind, en zodat je een lang leven beschoren is. Geef er dus gehoor aan, Israël, en volg het zorgvuldig op; dan vergaat het je goed en groei je uit tot een zeer talrijk volk in een land vloeiend van melk en honing, precies zoals de HEER, de God van je voorouders, je toezei.
Hoor, Israël: de HEER is onze God, de HEER alleen. Bemin de HEER, je God, met heel je hart, heel je ziel en heel je kracht. De geboden die ik je vandaag meegeef, moeten je op het hart geschreven staan. Prent ze je kinderen in en heb het erover als je thuis zit en als je onderweg bent, als je je te ruste legt en als je opstaat. Bind ze als een teken om je hand en draag ze als een merk tussen je ogen. Grif ze in de deurposten van je huis en op je stadspoorten.
Wanneer de HEER, je God, je binnenleidt in het land dat hij onder ede beloofde aan je voorouders Abraham, Isaak en Jakob, met grote, prachtige steden die jij niet gebouwd hebt, huizen vol goede dingen die jij er niet in hebt gelegd, uitgehakte regenbakken die jij niet hebt gehouwen, wijngaarden en olijfbomen die jij niet hebt geplant, en als je dan volop te eten hebt en verzadigd raakt, waak er dan voor dat je de HEER niet uit het oog verliest, hem die je uit Egypte bevrijdde, uit het land van je slavernij. Koester ontzag voor de HEER, je God; hem alleen moet je dienen en enkel bij zijn naam een eed afleggen. Ga niet achter andere goden aan, achter geen enkele god van de omringende volken, want de HEER, je God, die in je midden verkeert, is een naijverige God; anders laait de toorn van de HEER, je God, tegen je op en wist hij je van de aardbodem. Daag de HEER, jullie God, niet uit, zoals bij Massa is gebeurd. Onderhoud stipt de geboden van de HEER, jullie God, met de verbondsbepalingen en wetten die hij je heeft opgelegd. Doe wat in de ogen van de HEER juist en goed is; dan gaat het je goed en betreed en bezit je het goede land dat de HEER je voorouders onder ede beloofde, terwijl hij al je vijanden voor je uit verjaagt, zoals de HEER heeft beloofd.
Vraagt je zoon je later: ‘Wat hebben die verbondsbepalingen, wetten en regels te betekenen die de HEER, onze God, jullie heeft opgelegd?’, dan antwoord je hem: ‘In Egypte waren wij slaven van de farao, maar met sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte weggevoerd. Voor onze ogen liet de HEER grote, ontzagwekkende tekenen en wonderen zien tegen Egypte, tegen de farao en heel zijn hof. Onszelf echter voerde hij daar weg, hierheen, om ons het land te schenken dat hij onze voorouders onder ede had beloofd. De HEER droeg ons op al deze wetten na te leven en ontzag voor de HEER, onze God, te koesteren, tot ons eigen welzijn en om ons in leven te houden, zoals vandaag het geval is. En het strekt ons tot gerechtigheid wanneer wij heel dit gebod zorgvuldig naleven, in de tegenwoordigheid van de HEER, onze God, zoals hij ons heeft opgedragen.’