Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Daniël 11

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

En ik, van mijn kant, stond in het eerste jaar van Darius de Meder op om hem bij te staan en te beschermen. Nu zal ik je de waarheid meedelen. Zie, in Perzië treden nog drie koningen aan, en een vierde zal zich veel grotere rijkdom verwerven dan zij allen; sterk geworden door zijn welvaart zal hij alles op alles zetten tegen het rijk van Griekenland. Vervolgens komt een geweldige koning naar voren, die met wijde heerschappij regeert en zijn wil doorzet. Maar amper is hij opgestaan of zijn rijk valt uiteen en wordt over de vier windstreken van de hemel verdeeld, niet onder zijn nazaten en niet met de macht die hij uitoefende; want zijn koningschap wordt ontworteld en komt aan anderen dan dezen toe.

De zuidelijke koning wint aan kracht, maar een van zijn legeroversten wordt machtiger dan hij en heerst met een uitgestrekt gezag. Na jaren sluiten zij een bondgenootschap: de dochter van de zuidelijke koning trekt naar de noordelijke koning om de overeenkomst te bekrachtigen. Toch behoudt zij haar invloed niet, en ook hij en zijn macht houden geen stand; zij wordt prijsgegeven, samen met haar gevolg, met haar verwekker en met wie haar in die dagen steunde. Maar uit dezelfde wortel als zij komt iemand in haar plaats naar voren; hij rukt op tegen het leger, dringt de vesting van de noordelijke koning binnen, gaat tegen hen te keer en behaalt de zege. Zelfs hun goden met de gegoten beelden en hun kostbare vaatwerk van zilver en goud voert hij als buit naar Egypte weg; enige jaren laat hij de noordelijke koning ongemoeid. Deze dringt weliswaar het rijk van de zuidelijke koning binnen, maar keert naar zijn eigen land terug.

Zijn zonen rusten zich ten strijde en verzamelen een menigte grote legers; die rukt onstuitbaar op, overspoelt alles en trekt eroverheen, en keert opnieuw ten aanval, tot aan de vesting toe. Dan ontsteekt de zuidelijke koning in woede, trekt uit en bindt de strijd aan met de noordelijke koning, die een grote menigte op de been brengt; maar die menigte wordt in de macht van de tegenstander gegeven. Is die menigte weggevaagd, dan zwelt zijn hart van hoogmoed; tienduizenden velt hij neer, maar de bovenhand behoudt hij niet. Want de noordelijke koning keert terug en brengt een menigte samen, groter dan de vorige; en na een aantal jaren rukt hij onstuitbaar op met een geweldig leger en een rijke uitrusting. In die dagen komen velen in opstand tegen de zuidelijke koning; ook de gewelddadigen uit je eigen volk verheffen zich om het visioen in vervulling te doen gaan, maar zij komen ten val. De noordelijke koning rukt aan, werpt een belegeringswal op en neemt een versterkte stad in; de strijdkrachten van het zuiden houden geen stand, zelfs de keurtroepen niet, geen kracht is opgewassen tegen de aanval. Wie tegen hem optrekt doet naar eigen goeddunken, en niemand houdt tegen hem stand; hij nestelt zich in het Sieraadland, met vernietiging binnen zijn bereik. Hij zint erop met de volle macht van zijn rijk op te treden en een billijk vergelijk te sluiten; hij voert dat uit en geeft hem een dochter der vrouwen tot vrouw om het rijk te gronde te richten. Doch dit houdt geen stand en valt hem niet toe. Daarna richt hij zich op de kustlanden en verovert er vele; maar een bevelhebber maakt een einde aan de hoon die hij zaait, ja, hij laat die hoon op hem terugslaan. Vervolgens keert hij zich naar de vestingen van zijn eigen land; maar hij struikelt, komt ten val en is niet meer te vinden.

In zijn plaats treedt iemand op die een belastinginner door het pronkstuk van het rijk laat trekken; binnen weinige dagen echter wordt hij gebroken, niet uit woede en niet op het slagveld. In zijn plaats verrijst een verachtelijk man aan wie de koninklijke waardigheid niet was toebedacht; onverwacht verschijnt hij en grijpt met vleitaal het koningschap. Overstelpende legermachten worden voor hem weggevaagd en verbrijzeld, en ook een vorst van het verbond. Zodra men een bondgenootschap met hem is aangegaan, gaat hij bedrieglijk te werk; hij trekt op en wordt met slechts weinig manschappen sterk. Onverhoeds overvalt hij de rijkste streken van het gewest en doet wat zijn voorouders en hún voorouders nalieten: roof, buit en have strooit hij onder zijn aanhang uit, en tegen vestingen smeedt hij plannen, doch enkel voor een tijd. Zijn kracht en zijn onverschrokkenheid keert hij tegen de zuidelijke koning en trekt met een groot leger op; de zuidelijke koning rust zich voor de oorlog met een zeer talrijke en machtige krijgsmacht, maar houdt geen stand, want tegen hem worden aanslagen beraamd. Zijn tafelgenoten brengen hem ten val; zijn leger wordt weggespoeld en velen sneuvelen verslagen. Beide koningen zinnen op kwaad; aan één tafel gezeten wisselen zij leugens uit, maar het baat niet, want het einde wacht nog op de vastgestelde tijd. Daarna keert hij met grote buit naar zijn land terug, het hart gekeerd tegen het heilige verbond; hij voert zijn plan uit en keert huiswaarts.

Op de vastgestelde tijd valt hij opnieuw het zuiden binnen, maar ditmaal verloopt het anders dan tevoren. Want schepen uit Kittim varen tegen hem uit, zodat hij de moed verliest. Hij keert om, koelt zijn woede op het heilige verbond, voert zijn plan uit en schenkt aandacht aan wie het heilige verbond de rug toekeren. Door hem uitgezonden troepen treden aan en ontwijden het heiligdom, de vesting; zij schaffen het dagelijkse offer af en richten de verwoestende gruwel op. Wie zich aan het verbond vergrijpen, verleidt hij met vleitaal tot afvalligheid; maar het volk dat zijn God kent, blijft standvastig en treedt op. De verstandigen onder het volk brengen velen tot inzicht; toch komen zij een tijdlang ten val door zwaard en vuur, door gevangenschap en beroving. Terwijl zij ten val komen, ontvangen zij een geringe steun; en velen sluiten zich met huichelarij bij hen aan. Ook sommigen van de verstandigen komen ten val, zodat er onder hen loutering, reiniging en zuivering plaatsvindt tot aan de eindtijd, want die wacht nog op de bepaalde tijd.

De koning handelt naar eigen willekeur; hij verheft en verhovaardigt zich boven elke god, en tegen de God der goden uit hij ongehoorde taal. Voorspoed valt hem ten deel totdat de toorn is voltrokken, want wat vastbesloten is, geschiedt. Op de goden van zijn voorouders slaat hij geen acht, evenmin op de lievelingsgod der vrouwen; op geen enkele godheid let hij, want boven alles verheft hij zichzelf. In hun plaats vereert hij de god der vestingen; een god die zijn voorouders niet kenden, eert hij met goud en zilver, edelstenen en kostbaarheden. Tegen de sterkste vestingen treedt hij op met de bijstand van een vreemde god; wie hem erkent, overlaadt hij met eer, geeft hij heerschappij over velen en deelt hij land toe als beloning.

In de eindtijd bestookt de zuidelijke koning hem, maar de noordelijke koning stormt als een orkaan op hem af met wagens, ruiters en talrijke schepen; hij dringt de landen binnen, overspoelt ze en raast er als een vloed doorheen. Ook het Sieraadland trekt hij binnen, en talloze landen komen ten val; maar aan zijn greep ontkomen Edom, Moab en de kern van de Ammonieten. Zijn hand strekt hij uit naar de landen, en ook Egypte ontkomt niet. Hij maakt zich meester van de goud- en zilverschatten en van alle rijkdommen van Egypte; de Libiërs en Kusieten volgen in zijn spoor. Maar tijdingen uit het oosten en het noorden jagen hem schrik aan; in razernij trekt hij uit om velen te verdelgen en met de ban te treffen. Zijn koninklijke tenten slaat hij op tussen de zeeën en de berg van het heilig sieraad; dan bereikt hij zijn einde, en niemand komt hem te hulp.

← Daniël 10Daniël 12 →