Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

2 Timoteüs 3

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Besef wel dat er in de laatste dagen zware tijden zullen aanbreken. De mensen zullen dan alleen zichzelf en hun geld liefhebben; ze zijn grootsprekerig en verwaand, kwaadsprekend, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar en zonder ontzag voor God, liefdeloos, onverzoenlijk, lasterlijk, onbeheerst en meedogenloos, met een afkeer van het goede, verraderlijk, roekeloos en opgeblazen, meer gehecht aan genot dan aan God. Ze hebben de schijn van vroomheid, maar de kracht ervan verwerpen ze. Blijf zulke mensen uit de weg. Tot hen behoren degenen die zich een weg naar binnen banen in de huizen en lichtgelovige vrouwen inpalmen, vrouwen die overladen zijn met zonden en door allerlei begeerten worden voortgejaagd, vrouwen die eindeloos bijleren en toch nooit tot een echt kennen van de waarheid weten te komen. Zoals Jannes en Jambres zich indertijd tegen Mozes verzetten, zo verzetten ook deze mensen zich tegen de waarheid; hun verstand is verziekt en met hun geloof is het niet in orde. Maar veel verder komen ze niet, want hun dwaasheid zal aan iedereen overduidelijk worden, net als bij die twee destijds.

Jij daarentegen bent me op de voet gevolgd in mijn onderricht en mijn levenswijze, in mijn streven, mijn geloof, mijn geduld, mijn liefde en mijn volharding, in de vervolgingen en het lijden die mij in Antiochië, Ikonium en Lystra overkwamen. Wat een vervolgingen heb ik verduurd! En uit dat alles heeft de Heer mij bevrijd. Trouwens, ieder die godvruchtig in de Gezalfde Jezus wil leven, zal vervolging te verduren krijgen. Maar kwaadwillende bedriegers zakken steeds dieper weg: ze misleiden anderen en worden zelf misleid.

Jij echter, houd vast aan alles wat je is bijgebracht en waarvan je vast overtuigd bent; je weet immers aan wie je die kennis te danken hebt, en je kent van jongs af de heilige geschriften, die je de wijsheid kunnen geven die tot redding leidt, door het geloof in de Gezalfde Jezus. Elke Schrift is door God ingeademd en van nut om te onderrichten, terecht te wijzen, te corrigeren en op te voeden tot een rechtvaardig leven, zodat de mens die God toebehoort volgroeid is en voor elke goede taak volledig is toegerust.

← 2 Timoteüs 22 Timoteüs 4 →