Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

2 Timoteüs 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Paulus, door Gods wil apostel van de Gezalfde Jezus, in dienst van de belofte van leven die in de Gezalfde Jezus ligt, aan Timoteüs, mijn geliefde kind: genade, ontferming en vrede, je gegeven door God de Vader en door de Gezalfde Jezus, onze Heer.

Ik dank God, die ik met een zuiver geweten dien, net als mijn voorouders, terwijl ik je dag en nacht onafgebroken in mijn gebeden noem. Als ik terugdenk aan je tranen, groeit mijn verlangen je terug te zien, en dat zou mijn vreugde compleet maken. Ik moet dan denken aan het oprechte geloof dat in je leeft, dat eerst je grootmoeder Loïs en je moeder Eunike bezielde en, daar ben ik van overtuigd, ook jou.

Daarom herinner ik je eraan: laat de genadegave weer oplaaien die je van God ontving toen ik je de handen oplegde. Want de Geest die God ons gaf, maakt ons niet bang, maar schenkt ons kracht, liefde en bezonnenheid.

Schaam je dus niet om voor onze Heer te getuigen, en evenmin om mij, zijn gevangene; deel juist in het lijden voor het evangelie, met de kracht die God geeft. Hij heeft ons gered en tot een heilig leven geroepen. Niet onze daden waren daarvoor de grond, maar zijn eigen voornemen en de genade die ons al vóór het begin van de tijd in de Gezalfde Jezus was toebedacht, en die nu zichtbaar is geworden door de verschijning van onze redder Jezus de Gezalfde. Hij heeft de dood ontkracht en door het evangelie leven en onvergankelijkheid aan het licht gebracht. Daartoe ben ik aangesteld als heraut, apostel en leraar, en daarom draag ik dit alles. Toch schaam ik me niet, want ik ken degene op wie ik heb gebouwd, en ik weet zeker dat hij in staat is te behoeden wat hij mij heeft toevertrouwd, tot die dag.

Neem de heilzame woorden die je van mij hebt gehoord tot richtsnoer, en blijf in het geloof en de liefde die hun grond vinden in de Gezalfde Jezus. Bewaar dat kostbare pand dat aan je is toevertrouwd, met de hulp van de heilige Geest die in ons woont.

Dit weet je al: iedereen in Asia heeft mij de rug toegekeerd, Fygelus en Hermogenes voorop. Moge de Heer zich ontfermen over het gezin van Onesiforus, die mij zo vaak heeft opgebeurd en zich niet schaamde voor mijn boeien. Integendeel: zodra hij in Rome was aangekomen, heeft hij vol ijver naar mij gezocht totdat hij mij vond. Moge de Heer geven dat híj op die grote dag bij de Heer erbarmen vindt. En hoeveel hij in Efeze voor mij heeft gedaan, weet jij beter dan wie ook.

← begin2 Timoteüs 2 →