Hoofdstuk
2 Korintiërs 3
Beginnen wij onszelf nu weer aan te prijzen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven aan jullie of van jullie nodig? Jullie zijn zelf onze brief, geschreven in ons hart, door alle mensen gekend en gelezen. Het is duidelijk dat jullie een brief van de Gezalfde zijn, door ons verzorgd. Die brief is niet met inkt aangebracht maar door de Geest van de levende God, niet gekerfd in stenen platen maar in harten van vlees. Zo’n vertrouwen hebben wij, door de Gezalfde, tegenover God. Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn ook maar iets als eigen prestatie te bedenken; onze bekwaamheid komt van God, die ons ook geschikt maakte om een nieuw verbond te dienen, geen verbond van de letter maar van de Geest; de letter immers doodt, terwijl de Geest levend maakt.
Nu ging de dienst van de dood, in letters op steen gebeiteld, al met zulke glorie gepaard dat de Israëlieten hun blik niet op Mozes’ gezicht konden houden om de glans ervan, hoe vergankelijk ook. Hoezeer zal dan niet de bediening van de Geest met glorie gepaard gaan? Want als de bediening die veroordeling brengt al glorie bezat, dan overtreft de bediening die gerechtigheid brengt haar in glorie des te meer. Sterker nog: wat destijds glorie bezat, is in dit opzicht van alle glorie beroofd, vanwege deze allesovertreffende glorie. Want als wat vergankelijk was al met glorie kwam, dan straalt wat blijvend is des te meer in glorie.
Omdat wij zo’n hoop koesteren, treden wij met grote vrijmoedigheid op. Wij doen niet als Mozes, die een sluier over zijn gezicht legde om te verhinderen dat de Israëlieten het einde zouden zien van wat toch verdween. Maar hun denken werd afgestompt. Tot de dag van heden ligt er bij de voorlezing van het oude verbond nog altijd zo’n sluier, zonder dat hij wordt weggenomen, want pas in de Gezalfde verdwijnt hij. Ja, tot op vandaag ligt er telkens als Mozes wordt voorgelezen een sluier over hun hart. Maar zodra iemand zich tot de Heer keert, wordt de sluier afgenomen. Welnu, de Heer is de Geest; en waar de Geest van de Heer aanwezig is, heerst vrijheid. En wij allen, die met onbedekt gezicht de glorie van de Heer weerspiegelen, worden naar datzelfde beeld veranderd, van glorie tot glorie, zoals dat komt van de Heer, die Geest is.