Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

2 Koningen 6

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De profetenzonen brachten Elisa onder het oog: “Zie toch, de plek waar wij bij u samenwonen is ons te benauwd geworden. Laten wij naar de Jordaan trekken, waar ieder een balk kan gaan halen, zodat wij daar een onderkomen voor onszelf kunnen optrekken.” “Ga uw gang,” antwoordde hij. Een van hen verzocht: “Wees zo goed uw dienaren te vergezellen.” “Ik ga mee,” zei hij. Zo trok hij met hen op. Bij de Jordaan aangekomen begonnen zij bomen te vellen. Terwijl een van hen een stam omhakte, schoot het ijzeren blad los en zonk in het water. Hij slaakte een kreet: “Ach, mijn heer, en het was nog wel te leen!” “Waar is het neergevallen?” vroeg de man van God. Toen hij hem de plek had gewezen, hakte deze een tak af, wierp die erin en deed het ijzer komen bovendrijven. “Grijp het,” zei hij. De man reikte zijn hand uit en pakte het beet.

De koning van Aram lag in oorlog met Israël. In beraad met zijn hovelingen bepaalde hij: “Op die en die plek zal ik mijn legerplaats inrichten.” Maar de man van God waarschuwde de koning van Israël: “Hoed u ervoor die plek te passeren, want daar houden de Arameeërs zich schuil.” Telkens stuurde de koning van Israël iemand naar de plek die de man van God hem had aangewezen, en hij was er op zijn hoede; dat gebeurde meer dan een- of tweemaal. Hierover raakte de koning van Aram tot in het diepst verontrust. Hij ontbood zijn hovelingen en vroeg hun: “Kunnen jullie mij niet onthullen wie van ons het met de koning van Israël houdt?” “Niemand, mijn heer en koning,” antwoordde een van zijn hovelingen; “het is de profeet Elisa in Israël die aan Israëls koning zelfs de woorden doorbrieft die u in uw slaapvertrek uitspreekt.” “Ga achterhalen waar hij verblijft,” gebood hij, “dan laat ik hem oppakken.” Men bracht hem het bericht: “Hij bevindt zich in Dotan.” Daarheen zond hij paarden, strijdwagens en een geduchte legermacht. In de nacht arriveerden zij en trokken een kring om de stad.

Toen de dienaar van de man van God in de vroegte opstond en naar buiten trad, zag hij een leger met paarden en wagens de stad insluiten. “Ach, mijn heer,” zei zijn knecht, “wat moeten wij beginnen?” “Vrees niet,” luidde het antwoord, “want wie aan onze kant staan, zijn talrijker dan wie bij hen zijn.” En Elisa bad: “HEER, ontsluit toch zijn ogen, zodat hij zien kan.” Toen opende de HEER de ogen van de knecht, en die zag hoe de berg rondom Elisa vol stond met vurige paarden en wagens. Toen de Arameeërs op hem afkwamen, richtte Elisa zich biddend tot de HEER: “Tref dit volk toch met verblinding.” En hij trof hen met verblinding, geheel zoals Elisa had gevraagd. Elisa sprak hen aan: “Dit is de verkeerde weg en de verkeerde stad; kom achter mij aan, dan geleid ik jullie naar de man die jullie zoeken.” En hij voerde hen mee naar Samaria. Zodra zij Samaria waren binnengekomen, bad Elisa: “HEER, ontsluit nu de ogen van deze mannen, zodat zij zien kunnen.” De HEER opende hun ogen, en zij bemerkten dat zij midden in Samaria stonden. Bij het zien van hen vroeg de koning van Israël aan Elisa: “Moet ik hen neerslaan, moet ik hen neerslaan, mijn vader?” “Nee,” antwoordde hij, “sla hen niet neer. Zou u soms hen doden die u met zwaard en boog krijgsgevangen hebt gemaakt? Dien hun brood en water op, laat hen zich verzadigen en laven, en zend hen dan terug naar hun heer.” Toen liet hij een overvloedig maal voor hen aanrichten; zij aten en dronken, en hij liet hen vertrekken, en zij keerden terug naar hun heer. Sindsdien deden de strooptroepen van Aram geen inval meer in het land Israël.

Enige tijd nadien riep Ben-Hadad, de koning van Aram, zijn voltallige leger bijeen, rukte op en sloeg het beleg om Samaria. Zo zwaar drukte de hongersnood op Samaria en zo lang hield de belegering aan, dat een ezelskop tachtig sjekel zilver deed en een kwart kab duivenmest vijf sjekel zilver. Op een keer, terwijl de koning van Israël langs de muur schreed, riep een vrouw hem toe: “Kom mij te hulp, mijn heer en koning!” “Helpt de HEER je niet,” antwoordde hij, “waaruit zou ik dan hulp voor je putten? Uit de dorsvloer of uit de perskuip?” En de koning vroeg haar verder: “Wat scheelt eraan?” Zij zei: “Deze vrouw hier heeft mij voorgesteld: ‘Geef jouw zoon, dan eten wij hem vandaag op, en morgen eten wij de mijne.’ Zo hebben wij mijn zoon gekookt en verorberd. Maar toen ik de dag daarop tegen haar zei: ‘Geef nu jouw zoon, dan eten wij die op,’ had zij haar zoon verborgen.” Zodra de koning de woorden van de vrouw vernam, verscheurde hij zijn kleren, nog terwijl hij over de muur ging. Toen zag het volk dat hij daaronder, op zijn blote huid, een rouwgewaad droeg. Hij verklaarde: “God mag mij met de zwaarste straf treffen als Elisa, de zoon van Safat, vanaf vandaag zijn hoofd nog op de schouders houdt.” Elisa zat op dat ogenblik thuis, met de oudsten om zich heen. Nog voor de afgezant hem bereikte, had de koning al een man voor zich uit gezonden. Elisa echter sprak tot de oudsten: “Zien jullie hoe deze moordenaarszoon iemand afvaardigt om mij te onthoofden? Let op: zodra de bode aankomt, gooi de deur dicht en klem hem daartegen. Klinkt achter hem niet al het gestap van zijn heer?” Terwijl hij nog met hen in gesprek was, kwam de bode al bij hem beneden, en de koning liet weten: “Zie, deze rampspoed komt van de HEER; wat valt er nog langer op de HEER te hopen?”

← 2 Koningen 52 Koningen 7 →