Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Korintiërs 11

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Volg mijn voorbeeld na, zoals ik dat van de Gezalfde doe. Ik prijs jullie, broeders en zusters, omdat jullie mij in alles indachtig zijn en de overleveringen bewaren die ik jullie heb nagelaten. Toch wil ik dat jullie dit beseffen: de Gezalfde is het hoofd van elke man, de man is het hoofd van de vrouw, en God is het hoofd van de Gezalfde. Iedere man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd, maakt zijn hoofd te schande. Maar bidt of profeteert een vrouw met ongedekt hoofd, dan maakt zij haar hoofd te schande; het staat gelijk aan kaalgeschoren zijn. Bedekt een vrouw zich niet, laat ze zich dan ook maar kaal laten knippen. Maar is het voor een vrouw een schande zich kort te laten knippen of kaal te scheren, laat ze zich dan bedekken. Een man hoeft zijn hoofd niet te bedekken; hij is immers beeld en glorie van God. De vrouw echter is de glorie van de man. Want de man stamt niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; de man is immers niet geschapen ter wille van de vrouw, maar andersom: de vrouw ter wille van de man. Daarom hoort de vrouw een teken van gezag op haar hoofd te dragen, omwille van de engelen. Overigens geldt in de Heer: geen vrouw zonder man, en geen man zonder vrouw. Want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat ook de man dankzij de vrouw; en alles komt voort uit God. Vel er zelf een oordeel over: pást het dat een vrouw ongesluierd tot God bidt? Leert de natuur zelf jullie al niet dat lang haar voor een man een schande is, terwijl lang haar voor een vrouw juist een eer is? Het lange haar is haar immers als sluier gegeven. En mocht iemand hierover willen ruziën: wij houden er zo’n gewoonte niet op na, en Gods gemeenten evenmin.

Bij het geven van deze aanwijzing valt er voor jullie niets te prijzen: jullie bijeenkomsten leveren meer schade dan winst op. Om te beginnen hoor ik dat er, als jullie als gemeente bijeenkomen, scheuringen onder jullie zijn; en gedeeltelijk geloof ik dat. Er zullen ook wel tegenstellingen onder jullie moeten zijn, waardoor aan het licht komt wie van jullie de proef doorstaan. Wanneer jullie dus op één plek bijeenkomen, is dat geen echte maaltijd van de Heer. Want zodra er gegeten wordt, grist ieder vast zijn eigen portie mee, zodat de een honger lijdt terwijl de ander al dronken is. Hebben jullie soms geen eigen huis om er te eten en te drinken? Of kijken jullie neer op Gods gemeente door wie niets bezitten te vernederen? Wat moet ik hierop zeggen? Zal ik jullie prijzen? Op dit punt zeker niet.

Ik heb immers van de Heer zelf ontvangen wat ik jullie heb overgeleverd: dat de Heer Jezus in de nacht van zijn verraad een brood nam, en na het dankgebed brak hij het en zei: “Dit is mijn lichaam, dat voor jullie is; doe dit tot mijn gedachtenis.” Evenzo nam hij na de maaltijd de beker en sprak: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doe dit, elke keer dat jullie ervan drinken, tot mijn gedachtenis.” Immers, zo dikwijls als jullie van dit brood eten en uit deze beker drinken, maken jullie de dood van de Heer bekend, totdat hij komt.

Daarom, wie op onwaardige wijze van het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en het bloed van de Heer. Laat een mens dus zichzelf toetsen, en zo, na dat onderzoek, van het brood eten en uit de beker drinken. Want wie eet en drinkt zonder oog te hebben voor het lichaam, eet en drinkt zich zo een oordeel. Daardoor zijn er onder jullie veel zwakken en zieken, en zijn er al heel wat ontslapen. Als wij onszelf werkelijk onderzochten, zouden we niet geoordeeld worden. Maar nu de Heer ons oordeelt, voedt hij ons op, zodat we niet samen met de wereld veroordeeld worden. Daarom, mijn broeders en zusters, wanneer jullie voor de maaltijd samenkomen, wacht dan op elkaar. Heeft iemand honger, laat hij thuis eten, zodat jullie samenkomst geen oordeel over jullie afroept. De overige zaken zal ik regelen wanneer ik kom.

← 1 Korintiërs 101 Korintiërs 12 →