Hoofdstuk
1 Koningen 9
Nadat Salomo de bouw van zowel het huis van de HEER als het koninklijk paleis had afgerond, met alles erbij wat hij zo graag tot stand had willen brengen, verscheen de HEER tot hem voor de tweede maal, net zoals hij zich eerder in Gibeon aan hem had laten zien. De HEER sprak tot hem: “Ik heb je gebed en je smeekbede die je voor mij hebt uitgestort, verhoord. Dit huis dat je hebt opgetrokken heb ik geheiligd, om er mijn naam voorgoed te vestigen; mijn ogen en mijn hart zullen er altijd op gericht blijven. Als jij, net als je vader David, oprecht en zuiver van hart je weg voor mij gaat, alles doet wat ik je heb opgedragen en je aan mijn wetten en bepalingen houdt, dan zal ik je koningstroon over Israël voorgoed bevestigen, zoals ik je vader David heb toegezegd: ‘Nooit zul je verstoken blijven van een man op de troon van Israël.’ Maar als jullie je werkelijk van mij afkeren, jij en je nakomelingen, en de geboden en wetten die ik jullie heb voorgehouden verwaarlozen, en andere goden gaan dienen en je daarvoor neerbuigen, dan zal ik Israël wegvagen van de grond die ik hun schonk, en het huis dat ik voor mijn naam heiligde uit mijn oog verbannen. Onder alle volken zal Israël dan een spreekwoord en een spotlied worden. En over dit huis, hoe verheven nu ook, zal ieder die passeert zich ontzetten en spottend fluiten; men zal vragen: ‘Waarom heeft de HEER zo met dit land en met dit huis gehandeld?’ Dan luidt het antwoord: ‘Omdat zij de HEER, hun God, die hun voorouders uit Egypte leidde, hebben verlaten en zich aan andere goden hebben gehecht, zich daarvoor neerbogen en die dienden. Daarom heeft de HEER heel dit onheil over hen laten komen.’”
Er waren twintig jaren verstreken waarin Salomo de beide gebouwen had opgetrokken, het huis van de HEER en het koninklijk paleis. Omdat Hiram, de koning van Tyrus, hem naar hartenlust van cederhout, cipressenhout en goud had voorzien, schonk koning Salomo hem toen twintig steden in de landstreek Galilea. Maar toen Hiram uit Tyrus overkwam om die door Salomo geschonken steden in ogenschouw te nemen, vielen ze hem tegen. “Wat voor steden heb je me daar gegeven, mijn broeder?” zei hij. En hij gaf ze de naam land Kabul, die zij tot op vandaag dragen. Hiram had de koning honderdtwintig talent goud toegezonden.
De herendienst die koning Salomo instelde, was bestemd voor de bouw van het huis van de HEER, zijn eigen paleis, het bolwerk Millo, de muur rondom Jeruzalem, en de vestingsteden Hazor, Megiddo en Gezer. De farao van Egypte was namelijk tegen Gezer opgetrokken, had de stad veroverd en in vlammen gezet, de Kanaänitische inwoners omgebracht en de stad als huwelijksgift aan zijn dochter, Salomo’s vrouw, meegegeven. Salomo herbouwde daarop Gezer, evenals Laag-Bet-Choron, Baälat en Tadmor in de woestijn, ergens in het land, en verder al de opslagsteden die hij bezat, de garnizoenssteden voor zijn wagens en ruiters, en al wat hij maar wilde optrekken in Jeruzalem, op de Libanon en in heel zijn machtsgebied. Al wat er restte van de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Hevieten en Jebusieten, volken die niet tot Israël behoorden, hun nazaten die na hen in het land waren achtergebleven en die de Israëlieten niet hadden kunnen uitroeien, riep Salomo op tot dwangarbeid, wat tot op vandaag zo gebleven is. Van de Israëlieten zelf maakte Salomo echter niemand tot slaaf; zij dienden als zijn soldaten, hovelingen, bevelhebbers, officieren en aanvoerders van zijn strijdwagens en ruiterij. Aan het hoofd van Salomo’s bouwprojecten stonden vijfhonderdvijftig hoofdopzichters, die leiding gaven aan de mensen die het werk verrichtten.
Zodra de dochter van de farao vanuit de Davidsstad naar het huis was verhuisd dat hij voor haar had opgetrokken, ging hij de Millo bouwen. Salomo bracht driemaal per jaar brand- en vredeoffers op het altaar dat hij ter ere van de HEER had opgericht, en tegelijk liet hij er reukwerk in rook opgaan voor de HEER. Zo bracht hij het heiligdom tot voltooiing. Koning Salomo liet ook een vloot uitrusten in Esjon-Geber, dicht bij Elot aan de oever van de Rietzee, in het land Edom. Hiram zond met die vloot zijn eigen mannen mee, ervaren zeevaarders, om samen met Salomo’s mensen dienst te doen. Zij voeren naar Ofir en brachten daarvandaan vierhonderdtwintig talent goud mee, dat zij aan koning Salomo overhandigden.